13 dilemma's rond het nieuwe FTK

​Het nieuwe financieel toetsingskader stelt pensioenfondsbestuurders voor dilemma's. In zijn bijdrage aan het boek Pensioenactualiteiten 2015 komt Stef Vermeulen tot maar liefst dertien uitdagingen die dringend op een antwoord wachten.

In de media

 

Het is er sinds 1 januari 2015 dan: het nieuwe financieel toetsingskader (FTK). Van een fundamentele herziening van het pensioenstelsel is het niet gekomen, daarover debatteert Nederland in de Nationale Pensioendialoog. Toch stelt het noodzakelijk ‘technisch onderhoud’ van het FTK pensioenfondsbestuurders al voor voldoende uitdagingen.

In de nieuwste editie van de jaarlijkse bundel Pensioenactualiteiten brengt Stef Vermeulen, senior Balansrisicomanager bij PGGM, in kaart met welke 13 vragen de pensioenfondsbestuurders aan de slag moeten als gevolg van de gewijzigde regelgeving. Hieronder passeren ze de revue, gevolgd door een beknopte toelichting.

 

Vragen rond ambitie en risicohouding

 

1. Wat is de ambitie van het pensioenfonds en binnen welke risicohouding moet deze worden gerealiseerd?

 

2. Zijn ambitie en risicohouding überhaupt haalbaar binnen de huidige pensioenregeling en financiële opzet?

Het nieuwe FTK verplicht pensioenfondsen hun ambitie en risicohouding te concretiseren, met heldere, vooraf geformuleerde doelstellingen. De ambitie en risicohouding moeten worden opgenomen in de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (ABTN) en moeten voldoen aan het prudent person-beginsel. Zaken als de gewenste maximale premiestijging, het maximaal acceptabele niveau van verlagingen en de eigenschappen van het strategische beleggingsbeleid kunnen onderdeel zijn van de risicohouding, die in overleg met de sociale partners wordt geformuleerd. Ook de haalbaarheidstoets (zie vraag 13) wordt betrokken in het vastleggen van ambitie en risicohouding.

 

Vragen rond herstelplan en stuurmaatregelen

3. Heeft het pensioenfonds een evenwichtig en voldoende groot herstelvermogen?

 

4. Is premieverhoging of bijstorting een stuurinstrument voor herstel richting het VEV en/of MVEV? 

 

5. Welke groepen delen in welke mate mee in een eventuele verlaging van aanspraken? Vindt verlaging uniform of gedifferentieerd plaats?

 

6. Worden eventuele verlagingen in één keer doorgevoerd of over een langere periode gespreid?


Het nieuwe FTK bevat vier belangrijke wijzigingen die impact hebben op de herstelmaatregelen:

  • In het verleden kregen fondsen vijftien jaar de tijd om te herstellen tot het Vereist Eigen Vermogen (VEV), in het nieuwe FTK is de hersteltermijn verkort tot tien jaar. Een kortere hersteltermijn noodzaakt tot ingrijpendere maatregelen als een fonds in reservetekort komt, maar daar tegenover staat dat de hersteltermijn elk jaar opnieuw ingaat.
  • In het nieuwe FTK worden de schokken in de verschillende scenario’s vergroot, waardoor het VEV van een gemiddeld pensioenfonds ongeveer 5 procent zal stijgen.
  • Het kortetermijnherstelplan vervalt, maar als de beleidsdekkingsgraad zich vijf jaar achter elkaar onder het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) bevindt, moet het pensioenfonds een verlaging van aanspraken doorvoeren. Waar mogelijk is ook bijstorting een optie.
  • In het nieuwe FTK zijn nieuwe verwachtingen voor rendementen, rente en inflatie opgenomen, waarbij verwachte rendementen omlaag gaan. De nieuwe parameters resulteren in een kleiner dan verwacht herstel en daardoor grotere kans op nominale verlagingen en een beperking van de toeslagverlening.

Vragen rond het toeslagbeleid

 

7. Zijn het toeslagbeleid en de regels voor het compenseren van gemiste toeslagen houdbaar binnen de nieuwe systematiek van indexering en de minimale dekkingsgraad voor toeslagen?

 

8. Worden nominale verlagingen gecompenseerd en zo ja, hoe? Welke compensatie krijgt voorrang: nominale verlagingen of niet verleende toeslagen?

 
Om jonge deelnemers te beschermen tegen te hoge en te snel verleende toeslagen introduceert het nieuwe FTK het toekomstbestendig indexeren (TBI), een methodiek die een maximale toeslag voorschrijft. Vuistregel is dat voor iedere tien procentpunt dekkingsgraadoverschot één procent toeslag mag worden toegekend.
Ook mogen in het nieuwe FTK pas vanaf een dekkingsgraad van 110 procent gedeeltelijk toeslagen worden verleend, waar dat in het huidige FTK al mag vanaf 105 procent.
De nieuwe regels beperken ook de mogelijkheden om in het verleden doorgevoerde nominale verlagingen en niet verleende toeslagen te compenseren. Dat mag pas zodra fondsen een dekkingsgraad hebben bereikt waarop volgens het TBI een volledige toeslag mag worden toegekend.
 

Vragen rond het premiebeleid

9. Maakt het fonds onder het nieuwe FTK gebruik van de mogelijkheid tot  premiedemping en op welke wijze?

 
Ook het nieuwe FTK biedt de mogelijkheid tot het dempen van de kostendekkende premie. Dat kan door een 10-jaars rentemiddeling, inclusief opslag voor het VEV, als uitgangspunt te nemen, maar ook nog steeds door uit te gaan van het saldo van verwacht rendement en de verwachte inflatie behorende bij de gekozen maatstaf voor toeslagen.
De premiedekkingsgraadeis is overigens vervallen, zodat bij onderdekking nieuwe aanspraken niet langer tegen de actuele marktrente hoeven te worden ingekocht. Dat betekent een aanzienlijke toename in de premiestabiliteit. 
 

10. Voldoet het huidige beleid voor premiekorting aan de aangescherpte regels in het nieuwe FTK?

Aan premiekorting worden in het nieuwe FTK extra voorwaarden gesteld. De dekkingsgraad moet de grens van volledige toeslagverlening vanuit TBI bereikt hebben, en daarnaast dient het fonds over de afgelopen tien jaar zijn ambities waar te hebben gemaakt alvorens het tot premiekorting mag overgaan.

Vragen rond het beleggingsbeleid

11. Is onder het nieuwe FTK aanpassing van het beleggingsbeleid wenselijk?

 
In het vaststellen van het beleggingsbeleid geeft het nieuwe FTK fondsen geen additionele restricties, maar indirect hebben voorschriften uit het FTK rond herstelplannen, premiebeleid en toeslagbeleid uiteraard wel impact op bijvoorbeeld het risiconiveau van het beleggingsbeleid of de mate van renteafdekking.
Fondsen met een reservetekort mogen het risicoprofiel van hun beleggingsbeleid in beginsel nog steeds niet verhogen, maar krijgen bij de overgang naar het nieuwe FTK daartoe eenmalig de gelegenheid.
 

12. Welke kwantitatieve normen zijn in het kader van de prudent person-regel passend voor het pensioenfonds?

 
Het nieuwe FTK schrijft voor dat de fondsen kwantitatieve normen opstellen voor het prudent person-principe. Dit is geen nieuwe norm, maar een uitwerking van de bestaande regel die in lagere regelgeving nog nader moet worden ingevuld. 
 

Vraag rond de haalbaarheidstoets

 

13. Welke ambitie voor het pensioenresultaat in de haalbaarheidstoets heeft het pensioenfonds? Hoever mag het pensioenresultaat van de verwachting afwijken in een slechtweerscenario?

 
In het nieuwe FTK wordt de haalbaarheidstoets geïntroduceerd. Deze toets vervangt de continuïteitsanalyse en geeft inzicht in de samenhang tussen de financiële opzet, het verwachte pensioenresultaat en de risico’s daarvan.
 

Tot 1 juli de tijd

 
De staatssecretaris geeft de pensioenfondsen nog even de tijd om alle vragen te beantwoorden en de pensioenregeling en financiële opzet te herijken aan het nieuwe FTK. Beleidsdocumenten, zoals de ABTN, hoeven pas op 1 juli te zijn aangepast.
Een aantal onderdelen van het nieuwe FTK wordt wel al per 1 januari van kracht. Het gaat dan om de wijzigingen in de berekening van de dekkingsgraad, het vereist eigen vermogen en de parameters voor rendement en inflatie waar in het kader van toezicht mee moet worden gerekend. Zowel in het jaarverslag als in rapportages aan DNB moet dus al met deze nieuwe vereisten worden gewerkt.
 

Lees ook:

 

Master Actuariaat & ALM

Geef uw reactie