Persoonlijk pensioenvermogen, collectieve risicodeling – enkele varianten

In de zoektocht naar een nieuw pensioenstelsel lijkt er steeds meer draagvlak voor premieovereenkomsten in de vorm van persoonlijk pensioenvermogen met vormen van collectieve risicodeling, schrijven Dick Boeijen, Jan Tamérus (PGGM) en Peter Gortzak (APG) in Pensioen, Bestuur & Management.

In de media

 

1. Aanleiding

Binnen de beleidsdiscussie over de toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel wordt een passende oplossing gezocht voor de ontwikkelingen op het gebied van demografie, economie, arbeidsmarkt en maatschappij. Een overgang naar premieovereenkomsten in de vorm van persoonlijk pensioenvermogen met vormen van collectieve risicodeling lijkt op steeds meer draagvlak te kunnen rekenen om – met behoud van de huidige sterkmakers – het pensioen-stelsel toekomstbestendig te maken. De discussie tendeert daarbij naar het combineren van de goede eigenschappen van uitkeringsregelingen (DB) en premieregelingen (DC). Onlangs heeft ook de SER de dergelijke combinatie van persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling als “interessant, maar onbekend” bestempeld.

In deze bijdrage tonen wij aan langs welke wegen we de synthese tussen de uitkeringsregeling en de premieregeling concreet kunnen vormgeven en wat daarvan de consequenties zijn, om op die manier het onbekende van deze variant weg te nemen. Onze conclusie is namelijk dat een dergelijke variant goed mogelijk is en pensioenfondsen – met behoud van het goede – een interessante uitweg zou kunnen bieden uit de huidige, knellende uitkeringsregeling en de grote rentegevoeligheid die daarmee gepaard gaat.
 
In paragraaf 2 bespreken we eerst wat de reden is om de risicodeling uit de huidige uitkeringsregeling te behouden en te implementeren in een pensioenregeling op basis van persoonlijk pensioenvermogen. Vervolgens wordt in paragraaf 3 een aantal verschillende varianten van persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling gepresenteerd. Risicodeling implementeren in een premieregeling is namelijk op diverse manieren mogelijk. Ons doel van deze bijdrage is om te laten zien dat het kan, zonder nog een voorkeur uit te willen spreken hoe het volgens ons zou moeten. In paragraaf 4 vergelijken we de verschillende varianten met elkaar.
 

2. Risicodeling in pensioencontracten

Wij Nederlanders weten het al eeuwen: als je risico’s wil nemen, dan is het verstandig om deze onderling te delen. Dat geldt op vele fronten en zeker ook voor het opbouwen van pensioen. Want het opbouwen van pensioen gaat gepaard met vele verschillende risico’s: zowel financiële risico’s (beleggingsrisico, renterisico en inflatierisico) als niet-financiële risico’s (zoals langleven risico, kortleven risico en arbeidsongeschiktheidsrisico). Verschillende van deze risico’s kunnen – in theorie – via de financiële markten gedeeld worden, maar die financiële markten blijken in de praktijk verre van perfect en bovendien vaak ook erg complex. Het pensioenproduct wordt een stuk eenvoudiger en beter uitlegbaar als de risicodeling wordt gerealiseerd via helder geformuleerde collectieve verdeelregels. Daarnaast zijn er nog meer evidente redenen om pensioenrisico’s onderling te willen delen:

  • Verschillende pensioenrisico’s zijn simpelweg niet verhandelbaar. Zo bestaat er bijvoorbeeld geen markt voor het afdekken van Nederlandse inflatie; onze overheid geeft immers geen inflatiegerelateerde obligaties uit. Ook macro-langlevenrisico is slecht verhandelbaar; weinig herverzekeraars of investeerders zijn bereid dit risico tegen een redelijke prijs van pensioen-fondsen over te nemen1, mede ook door het volume hiervan. Het overdragen van een deel van het beleggingsrisico van gepensioneerden naar actieven is in theorie via de markt te repliceren, maar in de praktijk blijkt het lastig en/of inefficiënt om dit op zuiver individuele basis vorm te geven. Het delen van deze risico’s binnen een collectief kan daarom een welkome aanvulling zijn op de incomplete en imperfecte financiële markten.
  • Risicodeling met de toekomst. Ook risicodeling met toekomstige pensioenopbouw vormt een aanvulling op financiële markten. Door de toekomst in de risicodeling te betrekken wordt het risicodraagvlak vergroot. Dat leidt tot hogere en stabielere pensioenuitkomsten. Door vergrijzing wordt de meerwaarde van deze vorm van risicodeling kleiner, maar hij is zeker niet te verwaarlozen en dus het behouden meer dan waard.
  • Leverage. De standaard lifeccycle theorie zegt dat een jongere (veel) meer dan 100% van zijn pensioenvermogen in zakelijke waarden zou moeten beleggen. Een individuele deelnemer kan dat echter niet; het lijkt ons onrealistisch om met geleend geld extra in aandelen te beleggen. Via collectieve risicodeling kan het wel. Sterker nog: in de huidige uitkeringsovereenkomst gebeurt dit momenteel al. Onderstaande figuur toont de impliciete asset allocatie van een collectief pensioencontract. We zien dat het collectieve contract een lifecycle-achtig patroon volgt: jongeren krijgen meer risico dan ouderen, waarbij jongeren een impliciete asset allocatie kennen van meer dan 100% in zakelijke waarden.
 Figuur 1: Implicatie asset allocatie naar leeftijd voor FTK
  • Efficiëntie. Zoals al gezegd wordt het pensioenproduct eenvoudiger als de risicodeling wordt gerealiseerd via helder geformuleerde collectieve verdeelregels en niet via ingewikkelde marktconstructies. Collectieve risicodeling maakt uniform beleid mogelijk en dat heeft meerwaarde op het gebied van uitlegbaarheid, maar ook op het gebied van uitvoerbaarheid. Hoe eenvoudiger de pensioenregeling is, des te lager zijn de uitvoeringskosten. En iedere euro die niet aan de uitvoering hoeft te worden besteed leidt tot een goedkoper en/of hoger pensioen voor de deelnemers.
  • Maatschappelijk draagvlak. Binnen een collectief kun je, door financiële en demografische schokken te bufferen en over de tijd uit te smeren, een individuele life cycle nabootsen en tegelijkertijd toch een uniforme boodschap aan deelnemers geven. Alle deelnemers zitten qua jaarlijkse mutatie in hetzelfde schuitje en dat kan in belangrijke mate bijdragen aan de sociale cohesie binnen het pensioenfonds. Via bufferen en uitsmeren worden de jaarlijkse mutaties bovendien in belangrijke mate gestabiliseerd. De meeste deelnemers kunnen nu eenmaal maar moeilijk wennen aan volatiliteit. De rendementsreeks 3%, 2%, 4% kan op groter maatschappelijk draagvlak rekenen dan de rendementsreeks 10%, -/-15%, 14%, ondanks het feit dat ze in financiële zin op hetzelfde neerkomen. Het voor een goed en betaalbaar pensioen benodigde rendement gaat noodgedwongen gepaard met beleggingsrisico. De vraag is of er zonder de via collectieve risicodeling te realiseren stabiliteit überhaupt nog maatschappelijk draagvlak is voor het nemen van dat beleggingsrisico.
 
Het toevoegen van risicodeling kent overigens niet alleen maar pluspunten. Er zijn ook nadelen aan verbonden, die een zuiver individueel product niet kent Zo kan risicodeling op gespannen voet staan met keuzevrijheid. En het vraagt om enige mate van subjectiviteit. Voor niet-verhandelbare risico’s moeten immers aannames (“buiten de markt om”) worden gemaakt. Verandering van die aannames kan gepaard gaan met herverdeling tussen de persoonlijke pensioenvermogens. Buffers en uitsmeermechanismen leiden tot minder expliciete eigendomsrechten in de persoonlijke pensioenvermogens en daardoor wordt waardeoverdracht (bij baanwisseling) een stukje complexer dan in een zuiver individueel product. Het betrekken van toekomstige generaties betekent dat risico’s worden gedeeld met een partij die niet aan tafel zit. Binnen een aantal sectoren zal de mogelijkheid om risico’s te delen met toekomstige generaties bovendien kleiner worden, doordat voldoende toekomstige instroom van nieuwe deelnemers onzeker is2. Het moge duidelijk zijn: als een pensioencollectief kiest voor risicodeling krijgt het daar veel moois voor terug, maar ook een aantal minder mooie punten. Risicodeling moet dus een bewuste keuze zijn. Zie ook paragraaf 4.
 

3. Risicodeling in persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling: enkele mogelijke varianten

Recentelijk heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een hoofdlijnennotitie gepubliceerd waarin voorstellen worden gedaan om de bestaande premieregelingen te verbeteren3. Daarbij komen twee varianten naar voren:

1. Een variant, waarbij deelnemers in de uitkeringsfase deels kunnen doorbeleggen op basis van een individuele beleggingsstrategie. Daarbij dragen individuele deelnemers in de uitkeringsfase zelf het beleggingsrisico.
2. Een variant, waarbij deelnemers in de uitkeringsfase deels kunnen doorbeleggen door toe te treden tot een collectief, waarin beleggingsrisico en langlevenrisico onderling worden gedeeld.
 
De zoektocht naar de “onbekende, maar interessante variant” richt zich op het combineren van de premieregeling met de vormen van risicodeling uit de uitkeringsregeling. De recente voorstellen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het verbeteren van de huidige premieregeling halen wat dat betreft nog niet “alles uit de kast”: de mate van risicodeling is vele malen beperkter dan die in de huidige uitkeringsregelingen.
In deze paragraaf werken we een aantal voorbeeldcontracten uit, waarin wel de combinatie wordt gezocht tussen de premieregeling en uitgebreide risicodeling, zodat optimaal van de in paragraaf 2 opgesomde voordelen gebruik kan worden gemaakt. Onderstaande tabel somt enkele varianten op, die daarna nader worden beschreven.
 
Tabel varianten en uitwerkingen

 
Voor elk van de verschillende varianten gelden de volgende uitgangspunten:
  • Iedere deelnemer heeft zijn eigen persoonlijke pensioenvermogen. Daarin worden zijn premies ingelegd en daarop wordt rendement bijgeschreven.
  • Ook na pensioendatum behoudt de deelnemer zijn persoonlijke pensioenvermogen; daaruit ontvangt hij zijn uitkering. Er is dus geen sprake van conversie naar een annuïteit. De hoogte van het pensioen dat de deelnemer jaarlijks uit zijn pensioenvermogen kan uitkeren is afhankelijk van de overlevingstafel en het projectierendement. Dat projectierendement hoeft, juist omdat er geen sprake is van annuïtisering, niet per se gelijk te zijn aan de actuele marktrente.
  • Er wordt uitgegaan van een compleet contract met vooraf expliciet vastgelegde verdeelregels.
  • Tot pensioendatum is sprake van risicodekkingen voor arbeidsongeschiktheid en vroegtijdig overlijden. De jaarlijkse koopsom die nodig is voor deze risicodekkingen wordt in mindering gebracht op het opgebouwde kapitaal. Op pensioendatum kiest de deelnemer zelf of er een partnerpensioen moet zijn.
  

Variant #1 Voortborduren op de verbeterde premieovereenkomst

We borduren voort op variant 2 uit de hoofdlijnennotitie van SZW van 19 december 2014. Binnen die variant bouwen deelnemers via een life cycle beleggingsbeleid een pensioenvermogen op, waarbij nog geen sprake is van risicodeling tussen groepen deelnemers. Vanaf 10 jaar voor pensioeningang kan een deelnemer geleidelijk overstappen naar een collectief, waarbinnen in beperkte mate risico’s kunnen worden gedeeld: schokken in beleggingen en levensverwachting mogen worden uitgesmeerd over maximaal 5 jaar, volgens een gesloten uitsmeermechanisme. Dat betekent dat nieuwe toetreders tot het collectief niet meedelen in de risico’s van de laatste 5 jaar.

Deze variant kan worden verrijkt door al eerder (zeg: 20 jaar voor pensionering) de mogelijkheid te bieden om het individuele pensioenvermogen om te zetten in een collectief pensioenvermogen. In dat geval wordt het ook mogelijk om een langere spreidingsperiode dan 5 jaar te hanteren. Berekeningen hebben laten zien dat het vergroten van de spreidingsperiode de kans op kortingen aanzienlijk verkleint4.
 
Deze variant kan verder worden verrijkt door te werken met een open uitsmeermechanisme. Daardoor wordt het risicodraagvlak verder vergroot. Bovendien wordt het uitsmeermechanisme beter uitlegbaar en gemakkelijker uitvoerbaar. De keerzijde van een open mechanisme is wel dat shopmogelijkheden om het pensioenvermogen bij een verzekeraar om te zetten in een annuïteit of met het pensioenvermogen toe te treden tot een ander collectief niet mogelijk zijn.
 

Variant #2 Creëren van een interne ruilmarkt

Binnen deze variant wordt net als bij variant #1 aangesloten bij de hoofdlijnennotitie van SZW. In de opbouwfase bouwen deelnemers een persoonlijk pensioenvermogen op door middel van een life cycle beleggingsmix, om daarna toe te treden tot een risicodelend gepensioneerden-collectief. Daarbij wordt in deze variant door middel van een interne ruilmarkt risicodeling tussen de actieven en de gepensioneerdenpool toegevoegd.

De achterliggende gedachte hiervan is dat gepensioneerden niet markt-verhandelbare risico’s, zoals macro-langlevenrisico en inflatierisico, binnen het eigen collectief niet kunnen opvangen. Het heeft dus toegevoegde waarde deze risico’s met anderen, buiten het collectief, te delen. De actieven kunnen deze risico’s (deels) voor de gepensioneerden opvangen, in ruil voor een risicopremie. Daarbij is sprake van ex-ante expliciete prijsvorming, eventueel op basis van actuele marktinzichten. Deze ruilmarkt is in feite een extra, interne beleggingscategorie binnen het pensioenfonds en daarmee een waardevolle aanvulling op de incomplete financiële markten.
 

Variant #3 Buffer voor gemene rekening, uit premie

In deze variant wordt een collectieve buffer toegevoegd die wordt gefinancierd uit de pensioenpremie. Voor iedere actieve deelnemer geldt dat een deel van de ingelegde premie (zeg: 20%) in deze buffer wordt gestopt; de overige 80% gaat naar de individuele pensioen-rekening. De buffer die op die manier wordt opgebouwd kan fungeren als schokdemper en ‘werkkapitaal’ voor unknown unknowns. Vooraf wordt vastgelegd hoe en wanneer de buffer wordt aangewend, met enige ruimte voor bestuurlijke discretie. Een optie zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de buffer alleen mag worden gebruikt voor het opvangen van risico’s die niet op de financiële markten te verhandelen zijn.

Nadeel van een collectieve buffer is dat de individuele eigendomsrechten minder expliciet zijn, waardoor waardeoverdracht bij baanwisseling minder gemakkelijk wordt dan in een zuiver individueel systeem. Daarnaast weten we maar al te goed dat het premiestuur voor de meeste fondsen bot is. Het vullen van een voldoende grote buffer louter uit premie zal voor die fondsen dus de nodige tijd vergen.
 

Variant #4 Buffer voor gemene rekening, uit overrendement

In deze variant wordt een collectieve buffer opgebouwd, net als in variant #3. Maar de buffer wordt nu niet uit de premie, maar uit overrendement gefinancierd. Variant #4 kent ook een individuele life cycle. De behaalde rendementen worden echter niet één op één op het individuele kapitaal bijgeschreven. Hoge rendementen worden toegevoegd aan de buffer en vanuit diezelfde buffer worden lage rendementen aangevuld. Op die manier wordt de jaarlijkse rendementsbijschrijving gestabiliseerd. Dat werkt als volgt: ieder individu kent zijn eigen beleggingsmix. Bij die beleggingsmix hoort een doelrendement, te berekenen op basis van de wettelijk voorgeschreven rendementsparameters. Als het behaalde rendement op de individuele mix hoger is dan het doelrendement plus een vooraf vastgestelde bandbreedte, dan wordt het overrendement aan de collectieve buffer toegevoegd. Als het behaalde rendement op de individuele mix lager is dan het doelrendement minus een vooraf vastgestelde bandbreedte, dan wordt het ‘onderrendement’ vanuit de collectieve buffer, voor zover mogelijk, aangevuld. Op deze manier wordt maatwerk gecombineerd met het stabiliseren van de rendementsbijschrij-vingen. De mate van stabiliteit hangt af van de gekozen bandbreedte. Hoe kleiner de band-breedte, des te stabieler de rendementsbijschrijvingen. Je zou – omwille van stabiliteit, maar ook omwille van de eenvoud – kunnen werken met een bandbreedte van nul.

Variant #5a Eén uniforme beleggingsmix met rendementsmiddeling

Deze variant onderscheidt zich van de eerdere varianten door zijn uniforme beleggingsbeleid. In variant #5 is sprake van één onverdeeld vermogen. Alle deelnemers krijgen dezelfde boodschap: zij krijgen allen hetzelfde, uniforme rendement bijgeschreven op hun persoonlijke pensioenvermogen. Dat rendement is niet het in dat jaar behaalde rendement, maar het gemiddelde rendement van de afgelopen 10 jaar. Deze rendementsmiddeling zorgt voor de nodige stabiliteit en maakt het daardoor mogelijk om ook voor oudere en gepensioneerde deelnemers op een verantwoorde wijze beleggingsrisico te blijven nemen. Bovendien zorgt de rendementsmiddeling op impliciete wijze voor risicodifferentiatie en dus maatwerk tussen jong en oud.

Ook het macro-langlevenrisico van de gepensioneerden kan binnen dit systeem worden gedeeld: afwijkingen van de werkelijke sterfte t.o.v. de vooraf vastgestelde overlevingstafel kunnen namelijk worden verrekend met het behaalde rendement en dus ook worden uitgesmeerd over het gehele pensioencollectief.
De uniformiteit en stabiliteit zijn belangrijke voordelen van variant #5a. Nadeel van de rendementsmiddeling is dat waardeoverdracht bij baanwisseling toch weer lastiger is dan in een zuiver individueel systeem (maar: een stuk minder lastig dan in de huidige uitkeringsovereen-komst). Ook de mogelijkheden van individuele keuzevrijheid zijn in deze variant beperkt.
 

Variant #5b Twee fondsen met elk hun eigen uniform beleid

In vergrijsde cq ‘rijpe’ collectieven is het mogelijk niet wenselijk om met één collectieve beleggingsmix te werken. Daarmee zouden de jongeren (te weinig beleggingsrisico en dus een te laag verwacht rendement) of de ouderen (te veel beleggingsrisico en dus een te grote volati-liteit) tekort worden gedaan. Variant #5b splitst daarom het collectief in een actievenpool en een gepensioneerdenpool. Beide pools houden de eigen broek op. Elk van de twee pools voert zijn eigen uniforme beleid. De overstap van de actievenpool naar de gepensioneerdenpool kan plaatsvinden op pensioendatum, maar er kan ook gewerkt worden met een geleidelijke overstap.

Het voordeel van variant #5b ten opzichte van #5a is dat er meer rekening wordt gehouden met het verschil in risicoprofiel tussen actieven en gepensioneerden. Daarom past variant #5b beter voor vergrijsde pensioenfondsen. Het nadeel van variant #5b is dat de risicodeling beperkt is ten opzichte van variant #5a. Ook is variant #5b complexer qua uitvoering en communicatie.
 

4. Conclusie

In paragraaf 3 hebben we verschillende mogelijke invullingen beschreven voor de “interessante, maar onbekende variant” uit het SER-advies voor de toekomst van ons pensioenstelsel. In onderstaande tabel laten we zien in hoeverre de beschreven varianten tegemoet komen aan de in paragraaf 2 genoemde argumenten voor collectieve risicodeling.

Tabel varianten en argumenten

 
We zien dat variant #5a de meeste voordelen kent. Dit betekent niet automatisch dat dit de meest wenselijk variant is. Kwantitatieve, juridische en sociologische vervolgstudies kunnen – samen met fondsspecifieke elementen – bepalend zijn welke variant het beste past.
Met dit artikel hebben we willen laten zien dat een premieovereenkomst gecombineerd kan worden met collectieve risicodeling. Dat betekent niet automatisch dat dit voor iedere sector of onderneming wenselijk is. In een sector of onderneming waarvan de instroom van nieuwe deelnemers zeer onzeker is, zou je bijvoorbeeld minder gauw geneigd zijn om risico´s ook met toekomstige deelnemers te delen. En als de deelnemers in het collectief grote behoefte hebben aan ruime individuele keuzevrijheid, dan vraagt dat om een pensioenregeling met slechts beperkte risicodeling. De keuze over de reikwijdte van de risicodeling zou daarom ook op decentraal niveau moeten worden gemaakt, toegesneden op de wensen en karakteristieken van het deelnemerscollectief.
Wij denken dat de overstap naar een overzichtelijk pensioenlandschap waarin voor alle werkenden een regeling geldt op basis van persoonlijk pensioenvermogen en waarin decentrale sociale partners de keuze kunnen maken over de reikwijdte van de risicodeling een versterking betekent voor ons Nederlandse pensioenstelsel.
 
Genoeg reden om nu snel te onderzoeken hoe we in Nederland deze stap kunnen gaan zetten.
1 Zie Zie D. Broeders en P. Minderhoud (2014) Evenwichtige risicodeling in een toekomstbestendig pensioenstelsel, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken, 2014/44
2 Zie SER (2015), “Advies Toekomst Pensioenstelsel” www.ser.nl
3 Zie ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2014) Hoofdlijnennota optimalisering wettelijk kader voor premieovereenkomsten, 2014-0000192426, 19 december 2014
4 Zie Ortec Finance (2014), Onderzoek naar mogelijkheden van collectieve risicodeling binnen beschikbare premieregelingen, www.minszw.nl
 
Bron: Pensioen Bestuur & Management (PBM)

Expert balansrisicomanager

Master Actuariaat & ALM

Geef uw reactie